Economie
CBDC roept grote zorgen op over privacy en financiële controle
In deze aflevering van een serie gesprekken tussen Twan Houben en econoom en oud-DNB-directeur Lex Hoogduin staat de digitale euro, de Central Bank Digital Currency (CBDC), centraal.
De snelle ontwikkeling van de digitale euro door de ECB
De ECB werkt in hoog tempo aan de invoering van de munt, die het Europese betalingsverkeer moet moderniseren, minder afhankelijk moet maken van Amerikaanse spelers zoals Visa en Apple Pay, en de internationale rol van de euro moet versterken. Voor burgers in landen als Nederland, waar betalen al efficiënt verloopt via iDEAL en pin, lijkt het voordeel echter nihil.
Risico’s van de digitale euro voor gebruikers
De introductie van een digitale euro brengt aanzienlijke risico’s met zich mee. Er bestaat een lange-termijnrisico dat de munt programmeerbaar wordt en gekoppeld aan digitale identiteiten. Lex Hoogduin waarschuwt: “Als je bij wijze van spreken programmeert dat je per maand of per week een x aantal liters mag tanken of een CO2-limiet hebt, kan het zomaar zijn dat je bij de tank staat en je pinpas werkt niet meer. Daar zijn voorbeelden van in China, waar mensen bijvoorbeeld de metro niet meer in kunnen door het sociale kredietsysteem.”
Monetaire gevolgen van een CBDC
Ook op monetair gebied opent een CBDC mogelijkheden die potentieel schadelijk zijn. Negatieve rentes kunnen direct op spaargeld worden toegepast, iets wat bij contant geld nog wordt beperkt. Zo ontstaat een situatie waarin de ECB veel meer controle heeft over het geld van burgers dan nu het geval is. Echter is dat bij invoering nog niet aan de orde.
Politieke en geopolitieke belangen achter de digitale euro
De ECB presenteert de digitale euro als technisch project, maar de politieke en geopolitieke belangen zijn groot. Europa wil de rol van de dollar uitdagen en kan het tempo van invoering versnellen uit concurrentieoverwegingen. Voor burgers betekent dit dat een fundamentele discussie over privacy, vrijheid en macht vooralsnog wordt overgeslagen.
Conclusie: weinig voordeel, grote risico’s en noodzaak voor politieke zeggenschap
Conclusie: de digitale euro biedt nauwelijks voordeel voor de Europese burger, maar opent deuren naar meer staatscontrole en financiële risico’s. Als de munt er toch komt, is politieke zeggenschap cruciaal; beslissingen mogen niet uitsluitend bij technocraten van de ECB liggen.
Economie
OESO: CO2-beleid zet Nederlandse economie structureel op verlies
Ik zou graag meer financieel-economische onderbouwingen van het EU-beleid zien. Daar waagt die EU zich liever niet aan. Het moet van externe partijen komen. Zo bracht de OESO eind 2025 een rapport uit over de effecten van het EU CO2-beleid op specifiek de Nederlandse economie. De resultaten zijn ontluisterend. We gaan een verdere afbraak van onze levensstandaard en welzijn tegemoet om CO2-uitstoot te beperken. We gaan ook heel veel meer betalen aan belastingen en voor producten.
Het OESO-rapport over de economische effecten van klimaatbeleid
Het Europese klimaatbeleid wordt vaak gepresenteerd als een noodzaak: onvermijdelijk, rationeel en uiteindelijk zelfs economisch voordelig. Maar wie het recente OESO-rapport over de gevolgen van het EU-klimaatbeleid voor de Nederlandse economie aandachtig leest, ziet heel iets anders: een stille en diepgaande herstructurering van onze economie, met vooral verliezers.
Ook bespreekt het rapport een opvallend gebrek aan politieke eerlijkheid daarover. Dat gebrek aan eerlijkheid is voelbaar in het regeerprogramma van de nieuwe coalitie.
De kern van het CO2-beleid van de EU bestaat uit twee instrumenten: het emissiehandelssysteem (ETS) en het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM). Samen moeten zij ervoor zorgen dat de Europese economie schoner wordt zonder dat vervuilende industrie simpelweg verhuist naar landen met soepelere regels. In theorie klinkt dat logisch. In de praktijk pakt het voor een open, industriële economie als de Nederlandse zeker niet neutraal uit, aldus de OESO.
De industrie betaalt de rekening
Volgens de OESO leidt het CO2-klimaatbeleid tot een structurele verdwijning van emissie-intensieve sectoren in Nederland zoals chemie, staal en raffinage, richting diensten en andere laag-emissiesectoren. Dat is geen neveneffect, maar expliciet beleid. Door CO₂ duur te maken, wordt zware industrie onbetaalbaar en verdwijnt daardoor uit ons land.
Dat heeft directe gevolgen voor onze economie. Die is bovengemiddeld afhankelijk van export en doorvoer, dus juist in sectoren die veel energie gebruiken. Het OESO-rapport laat zien dat deze sectoren aan concurrentiekracht inboeten: exporten dalen, kostbare importen nemen toe en productie verschuift grotendeels naar het buitenland.
Dit fenomeen heet: carbon leakage. Dit is geen theoretisch schrikbeeld, maar een concreet economisch effect dat de OESO nu expliciet bevestigt.
Het CBAM is een schild met gaten
CBAM wordt vaak gepresenteerd als hét antwoord op carbon leakage. Buitenlandse producenten moeten bij import in de EU voortaan ook een CO₂-prijs betalen, zodat Europese bedrijven niet worden weggeconcurreerd door vuilere productie uit het buitenland. Het OESO-rapport erkent dat dit mechanisme werkt, maar slechts zeer gedeeltelijk.
CBAM beschermt de Europese thuismarkt, niet de exportpositie!
Nederlandse bedrijven die staal of andere CBAM-goederen exporteren naar landen buiten de EU krijgen geen enkele compensatie voor hun hogere kosten. Op de wereldmarkt blijven Nederlandse bedrijven dus duurder dan concurrenten uit landen zonder CO₂-prijs. Het gevolg: marktaandeelverlies buiten Europa, terwijl productie binnen de EU slechts beperkt wordt beschermd.
Met andere woorden: CBAM is een halve waarheid, zoals zo vaak in EU-beleid; enerzijds bescherming tegen concurrentie vanuit buiten de EU, anderzijds een veel hogere kostprijs waardoor de export buiten de EU dreigt te vervallen.
Onderstaande grafiek – uit een eerder rapport van het Centraal Planbureau (CPB) over deze materie – spreekt boekdelen:

(Bron: CPB)
Energie-winst = industrie-verlies
Een positief punt in het OESO-rapport lijkt de forse daling van fossiele-energie-importen. Nederlandse industrie importeert grote hoeveelheden olie en gas en het klimaatbeleid drukt die afhankelijkheid sterk terug door hogere prijzen. Dat lijkt de economie minder kwetsbaar voor geopolitieke schokken te maken. Immers; energie verkeert altijd in het centrum van geopolitieke machtsstrijd.
Maar hier gaat het gruwelijk mis volgens de OESO: deze winst wordt geboekt doordat de energie-intensieve industrie gedwongen krimpt. We besparen dus op gas en olie, omdat de productiecapaciteit, exportwaarde en strategische autonomie in essentiële sectoren af wordt gebouwd. Dat is geen gratis lunch, maar een zeer duur betaald diner.
De politiek suggereert vaak dat vergroening en economische groei hand in hand gaan. De OESO laat zien dat dit voor Nederland niet klopt omdat de prijs vooral bij specifieke sectoren, zoals de industrie, wordt neergelegd.
Werkgelegenheid: toenemende spanningen
Voorstanders van het EU-beleid, zoals de drie nieuwe coalitiepartijen D66, CDA en VVD, wijzen graag op het feit dat het totale banenverlies beperkt blijft. Dat klopt gedeeltelijk: emissie-intensieve sectoren zijn kapitaalintensief en bieden relatief weinig werkgelegenheid. Maar dit argument is te makkelijk.
Het rapport maakt duidelijk dat vooral specifieke beroepsgroepen fors geraakt worden. Met name technici en ingenieurs in de industrie raken hun banen kwijt. Deze mensen ‘verdwijnen’ niet vanzelf naar de dienstensector. Omscholing kost tijd en geld, en is lang niet altijd realistisch. Achter de macrocijfers gaan sociale spanningen schuil, die in de politiek geen aandacht krijgen.
Grafiek afname werkgelegenheid:

(Bron: OESO)
De vraag over de gevolgen van klimaatbeleid wordt ontweken door de nieuwe coalitie
Het Nederlandse klimaatbeleid – gebaseerd op EU-verordeningen – is volgens het OESO-rapport geen neutrale milieumaatregel, maar een industrieel herverdelingsprogramma. Het verschuift economische activiteit, handelsstromen en werkgelegenheid naar het buitenland.
De echte vraag is daarom niet óf we klimaatbeleid moeten voeren, maar hoe eerlijk de politiek moet zijn over de gevaarlijke gevolgen. Willen we een Nederland met minder zware industrie, minder technische kennis en minder ingenieurs?
Willen we strategische afhankelijkheid van buitenlandse productie accepteren zolang onze eigen uitstoot maar daalt? En wie compenseert de sectoren en werknemers die structureel verliezen? De overheid? Met ons belastinggeld? De consument? De nieuwe coalitie heeft hier expliciet voor gekozen en dat gaat duidelijk ten koste van onze welvaart en verzorgingsstaat.
Zolang deze neveneffecten van de klimaatideologie niet expliciet worden besproken, blijft het klimaatdebat onevenwichtig en ondermijnt het de economie.
Het OESO-rapport laat zien dat Nederland zich die luxe niet kan permitteren.
Klimaatbeleid verandert Nederland ingrijpend. De vraag is niet meer of dat gebeurt – maar of we bereid zijn de economische en sociale consequenties onder ogen te zien, in plaats van ze weg te poetsen met mooie woorden over ‘transitie’, ‘EU Green Deal’ en ‘toekomstbestendigheid’.
Het nieuwe kabinet begint al met halve waarheden.
Economie
Grote financiële belangen achter EU-asielbeleid
Ook het asielbeleid van de EU is voor een belangrijk deel ingegeven door de financiële belangen van het grootbedrijf en niet dat van de asielzoekers of Europese burgers. Dat is de conclusie als je de studie ‘Security, industry and migration in European border control’ van Martin Lemberg-Pedersen hebt gelezen. Een schokkend verhaal dat haaks staat op de ‘Europese idealen’.
Aangezien Nederland massaal voor de pro-EU partij D66 koos – die zowel voor een centraal EU-asielbeleid als voor een grotere rol van de EU in Nederland gaat – zal de pinautomaat van de Nederlandse burgers in rap tempo verder worden geleegd.
Mees Wijnants legt het nogmaals uit in zijn eigen woorden.
Hier kunt u het artikel nog eens nalezen.
Economie
Banenverlies door EU-uitbreidingen
De conclusie is onontkoombaar met de laatste CBS-data erbij; Nederland verliest tienduizenden banen door het EU-lidmaatschap. Met dat banenverlies, gaan ook inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting voor de staat verloren. Het gevolg is dat steeds minder werkenden steeds meer belasting gaan betalen. Hoe werkt dat?
Onderzoek CBS buitenlandse activiteiten
In 2021-2023 verplaatste ruim 5 procent van de middelgrote en grote Nederlandse bedrijven een deel van hun activiteiten naar het buitenland. Kostenbesparingen zijn hiervoor een belangrijke drijfveer. 70 procent van de bedrijven die vertrekken uit Nederland, belandt in EU-lidstaten met lagere belastingen en kosten. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuw onderzoek.
Voor het onderzoek zijn bedrijven met minstens 50 werkzame personen in de nijverheid en energie, en in de commerciële dienstverlening onderzocht. Bedrijven die volledig uit Nederland vertrokken, zijn niet in dit onderzoek meegenomen.
Het CBS is in 2007 begonnen met dit type onderzoek. Vanaf begin deze eeuw is echter al een trend zichtbaar dat steeds meer bedrijfsonderdelen verdwijnen uit Nederland.

(Bron: CBS)
Cijfers CBS zijn incompleet
Het plaatje zou compleet zijn als we ook wisten hoeveel bedrijven volledig uit Nederland zijn vertrokken, maar dat houdt het CBS niet bij, alleen welke bedrijven een deel van hun activiteiten hebben verplaatst. De reden waarom die eerste groep niet wordt bijgehouden is dat veel Nederlandse bedrijven een dochter van een grotere moedermaatschappij zijn en dus de definitie, van wat een volledig vertrokken bedrijf is, niet te geven valt.
De conclusie is echter simpel; als we de volledig vertrokken bedrijven bij de huidige cijfers van het CBS zouden optellen, komen we nog hoger uit dan bovengenoemde 5 procent.
Welke sectoren vertrekken uit Nederland?
Bedrijven in de ICT-sector verplaatsen relatief het vaakst (14 procent) activiteiten naar het buitenland, gevolgd door bedrijven in de industrie (7 procent). Binnen de delfstoffenwinning, energie, water, afvalbeheer en bouwnijverheid zijn weinig verplaatsingen van bedrijfsactiviteiten.
In de vorige eeuw werden vooral veel productiebedrijven naar het buitenland verplaatst vanwege lagere arbeidskosten. Nu is het een sector met hooggekwalificeerde banen en kennis – de ICT – die naar goedkopere EU lidstaten verkast, oftewel een kennisvlucht vanuit Nederland!

(Bron: CBS)
Administratie en management vaakst verplaatst
Wat mij zeer verbaasde was, dat administratie en management het vaakst worden verplaatst naar het buitenland. Dus niet – zoals vroeger – uitvoerende banen in productie of logistiek, maar (mede) juist het management!
Kijken we naar verplaatsingen van Nederlandse werkgelegenheid naar landen buiten de EU, dan geeft het CBS aan dat naar China nog steeds (beperkt) productie wordt verplaatst, en naar India vooral management en ICT-diensten.

(Bron: CBS)
Vanaf het jaar 2001 vertrek van banen naar het buitenland en het ‘euro-effect’
Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland is een van de meest zichtbare kenmerken van de globalisering. Het roept veel vragen en zorgen op over de gevolgen voor de werkgelegenheid in Nederland.
Niet alleen fabrieksarbeiders maken zich zorgen over het verdwijnen van hun banen naar lagere loonlanden. Ook steeds meer werknemers in backofficefuncties voelen de hete adem van offshoring in hun nek, of hebben hun baan hier al aan verloren, schrijft het CBS in deze publicatie.
In 2004 stelde het World Economic Forum (WEF) al dat vooral in de Nederlandse economie, productiviteit en beroepsbevolking onder druk stonden door uitbesteding van activiteiten in de dienstensector aan het buitenland. Nederland was een van de eerste landen binnen de EU die zich grootschalig aan globalisering onderwierp (WEF-jaarverslag 2004).
In datzelfde jaar bracht het IMF een ronduit alarmerend rapport uit over het Nederlandse politieke beleid met betrekking tot werkgelegenheid. Het rapport concludeert onder andere dat de Nederlandse economie vanaf de periode 2000-2001 in een ernstige krimp van de economie terecht is gekomen. Van een gemiddelde groei van 3,6 procent per jaar in de periode 1995-2000, tot een gemiddelde groei van 0,2 procent in de periode 2000-2003. Mede te danken aan de introductie van de euro (2000-2001) en het vertrek van banen naar het buitenland.
Om hoeveel banen gaat het en in welke E- landen komen die terecht?
Dit CBS-artikel geeft een indruk waar we over praten qua aantallen en landen waar onze werkgelegenheid naar verplaatst wordt.
Het beschrijft: “In 2016 kwam ING in het nieuws omdat tot 2021 ongeveer 2300 van de 15 duizend banen in Nederland zullen gaan verdwijnen. (…) Vorig jaar haalde KLM het nieuws omdat het bedrijf aankondigde de boekhouding goeddeels naar Hongarije en India te willen verplaatsen. Ook Philips Lighting halveerde haar vestiging in Winterswijk en verplaatste de productie naar het veel goedkopere Hongarije en de researchafdeling naar Polen. (…) Door sluiting van de Siemens vestiging in Hengelo zijn 600 Nederlandse banen verdwenen.”
Bij mijn zoektocht naar harde getallen over het aantal verloren banen, kwam ik bij dit artikel uit. Dat vermeldt een verlies van 30.000 banen aan het buitenland in de periode 2014-2016. Leg je dezelfde dataset uit 2014-2016 op de periode 2021-2023 dan kom je op circa 40.000 extra verloren banen uit, oftewel; 70.000 banen naar het buitenland tussen 2014 en 2024.
EU-uitbreidingen en Nederlands banenverlies
Het CBS houdt helaas geen statistieken bij over in welke EU-lidstaten precies de Nederlandse banen terechtkomen. Alleen dat het lidstaten zijn met aanzienlijk lagere (arbeids-)kosten en lokale belastingen.
In bovenstaande voorbeelden worden vooral Polen en Hongarije genoemd. Het ligt voor de hand dat de verplaatsingen vanuit Nederland vooral naar de 12 landen gaan die in de periode 2004-2007 lid werden van de EU, gezien de kostenstructuren in die landen.
Meerdere studies, waaronder deze van de Erasmus Universiteit, beweren aan te tonen dat het collectieve bruto binnenlands product (bbp) van landen binnen de EU is toegenomen door nieuwe lidstaten. Die groei van het bbp binnen de EU wordt echter weersproken door harde cijfers van de Wereldbank. Daaruit blijkt:
- De jaarlijkse bbp-groei van de oorspronkelijke EEG was nog 3,9 procent (in 2000 met 15 lidstaten), de laatste jaren was deze tussen de 0,5 en 1,1 procent (2023-2025 met 27 lidstaten).
- De jaarlijkse groei is lager met 27 lidstaten dan met 15.
Kijken we naar het aandeel van de EU in het bbp wereldwijd, dan laat dit onderzoek, gebaseerd op IMF-data, een nog dramatischer beeld zien van de nieuwe EU met 27 lidstaten ten opzichte van de oude met 15 (blauwe lijn hieronder):

(Bron: Bruegel – gebaseerd op IMF-data)
Kortom: EU-uitbreidingen leiden tot banenverlies in Nederland en een forse afname van het collectieve bbp (blauwe lijn hierboven). De enige partijen die voordeel hebben van uitbreidingen van de EU zijn de Europese grootbedrijven. Niet de burgers.
Zelfs niet de burgers die D66, VVD, CDA of Volt stemmen.
-
Klimaat2 weken geledenVerdwenen hittegolven terug: KNMI en media faalden jarenlang
-
Politiek4 dagen geledenRapport beschuldigt Europese Commissie van verkiezingssturing
-
Column1 week geledenAan de slag! Aan de slag voor wie dan?
-
Politiek1 week geledenEU-censuur steeds duidelijker en extremer
-
Economie6 dagen geledenBanenverlies door EU-uitbreidingen
-
Economie5 dagen geledenGrote financiële belangen achter EU-asielbeleid
-
Media1 week geledenHoe de publieke opinie gemanipuleerd wordt (deel 3)
-
Economie1 dag geledenOESO: CO2-beleid zet Nederlandse economie structureel op verlies

